Kunst
per strekkende meter
door Pieter
van Os De
Kunstfabriek in Amsterdam doet nu al vijf jaar wat de naam zegt: kunst
produceren. In Nederland gemaakte ontwerpen worden aan de hand van een
foto in China door ambachtelijk opgeleide maar goedkope kunstenaars haarfijn
overgeschilderd en teruggestuurd om voor prijzen onder duizend euro worden
verkocht. Is dit nog kunst?
Het
regende en het was koud. De man in de hal van ons huis zag er doorweekt
en verkleumd uit. Een grote map onder zijn arm hield de koopwaar droog
die hij van deur tot deur zeulde. Het ging slecht met de verkoop. De inwoners
van de villawijk die hij vandaag bezocht, vertelde hij mij ouders, toonden
weinig interesse in de olieverfschilderijen die hij, een Fransman, had
gemaakt in de duinen van Scheveningen en Bergen.
Ik herinner me zeegezichten met ondergaande zonnen, oude afgebladderde
sloepen op het strand, een enkele eenzame wandelaar. Mijn vader toonde
vooral enthousiasme wanneer hij een plek herkende. Hij praatte met de
Fransman over Bergen als kunstenaarsdorp. Over de kwaliteit van de schilderijen
zei mijn vader niets. Hij deed dat wel als ik iets had getekend. Dan vond
hij alles prachtig. Ik was twaalf en hield van tekenen, va schilderen
zelfs. De Fransman maakte diepe indruk. Hoe kon je zo realistisch schilderen,
nee mooier nog, hoe was het mogelijk de werkelijkheid zo te verfraaien?
Deze man deed wat ik wilde maar nog niet kon. Hij was iemand die iets
onmogelijks had verricht, een tovenaar.
Toen de lucht was opgeklaard hadden de Fransman en mijn vader slechts
gesproken over andermans kunst, over koetjes en kalfjes en hun kennis
van de Haagse School. En toen de tovenaar de straat weer op ging, nam
hij al zijn schilderijen mee. Ik begreep er niets van. Hoe konden we dat
werk laten lopen? "Maar pap, waarom niet?" "Jongen, dat
was bagger van de bovenste plank. Kitsch."
Het is meer dan twintig jaar geleden. Ik kan me niet herinneren hoe hoog
het Bob Ross-gehalte of juist de Mesdag-kwaliteit van de Scheveningse
strandgezichten van de Franse colporteurkunstenaar was. Ik herinner me
vooral nog dat ik er destijds volledig door uit het lood was geslagen.
Ik rende naar boven en, geloof het of niet, viel huilend op mijn bed.
Op twee passen van het bed hing een vel papier met daarop een druiventros
geschilderd in waterverf. Ik had er die middag nog aan gewerkt. Met plakband
was het papier op een bord bevestigd dat als geïmproviseerde schildersezel
diende. Het was een cadeau van mijn ouders geweest.
Maandenlang zijn de druiven blijven hangen, voor de helft gekleurd. Het
stilleven is nooit voltooid. Ik had willen schilderen als de Fransman,
en als mijn vader dat niet mooi vond, die prachtige strandgezichten, die
bijkans onmogelijk te bereiken lichtval, wat was er dan wél mooi?
Het oordeel van mijn voornaamste opvoeders, tegelijk de enige consumenten
van mijn kunst, was op mijn twaalfde van groter belang dan een zogenoemd
authentieke drang tot schilderen, laat staan dat er sprake was van een
autonoom ontwikkelde esthetische opvatting, als er al zoiets bestaat.
Dus na het bezoek van de tovenaar bestond mij leven een paar weken lang
louter uit voetbal en school. Daarna wist ik het weer. Ik nam de waterverf
opnieuw ter hand en begon aan het kopiëren, of beter parafraseren,
van de kleine constructivistische tekeningen die thuis in de gang hingen.
Vierkanten, cirkels en driehoeken.
Sociologen in de traditie van Bourdieu
en Foucault maken er een heel punt van: ontwikkelde smaak. Het zou een
ingewikkeld, klassenbewust proces zijn waarin de esthetische oordelen
van de gevestigde orde zich via de onzichtbare maar toch meedogenloze
microkosmos van de macht nestelden in het opgroeiende of naar maatschappelijke
erkenning hunkerende individu. De socioloog neemt het waar. De studieobjecten
zelf ontberen de afstand om deze sluipende maatschappelijke manipulatie
te erkennen. Die noemen het "smaak".
Als ventje van twaalf jaar maakte ik dit
proces door. Maar anders dan marxistisch geïnspireerde sociologen
beweren, is het helemaal niet moeilijk de esthetische oordelen van de
culturele elite over te nemen. De acquired taste was er in een weekje
of drie. Het had maar een nachtje pijn gedaan. Mijn vader had niet te
klagen: met een paar denigrerende woorden had hij zijn destijds volstrekt
niet klassenbewuste zoon in het correcte gareel.
In de jaren die volgde werd alles helder. Het leek zo logisch allemaal:
je vond Donald Judd, Elsworth Kelly, Joseph Beuys en Marcel Duchamp geen
oplichters –je kon zelfs iets over hun kunst vertellen- en je hield
van Léger, Bonnard en Picasso. Maar je mocht niet genieten van
kunstenaars als Canova, Koch, Dalí of Willink, om eer een paar
te noemen die weinig met elkaar gemeen hadden behalve de afwijzing door
het Nederlandse establishment. Juist deze kunstenaars zijn overigens nu,
in 2005, alweer meer dan een decennium helemaal in orde. Maar ik kreeg
mijn inwijding in gevestigde smaak in de jaren tachtig. De Scheidslijn
lag toen strakker. Niet alleen Jopie Huisman en Anton Pieck waren pet,
eigenlijk alle realistisch bedoelde kunst moest categorisch worden afgewezen.
Ik hield me met overgave aan die regels. Als tiener hield ik oprecht van
abstracte, vaak constructivistische schilderijen. Frank Stella en Elsworth
Kelly vond ik groots. Juan Miró was mijn hels. Maar minder oprecht
was mijn afkeer van figuratieve kunst. Pas enkele jaren nadat mijn ouders
de colporteur weer met een volle map op straat hadden gezet, ging ik opnieuw
serieus kijken naar pogingen realistisch te schilderen. Vooral fotorealisten
als Chuck Close en Fairfield Porter leerde ik waarderen. Later genoot
ik ook van het romantisch classicisme van Franse Salonschilders als Pierre-Paul
Prud’hon, en zelfs van een kunstenaar als Bougereau, een raszondaar
in modernistische kringen. Tegelijk behield ik mijn liefde voor Stella
en Miró, en zelfs voor de vlakken- en lijnenpatronen van de provinciale
Nederlandse modernist wiens miniaturen ik had nageschilderd op mijn geïmproviseerde
ezel.
Het heeft even geduurd, maar op een dag
weigerde ik nog langer hele genres af te wijzen. En dan doemen er ander
problemen op. Al snel blijkt het aanbod in Nederland beperkt. Belangwekkend
en tegelijk vakkundig realistisch wordt hier nauwelijks geschilderd. Zelden
zie je een interessante tentoonstelling met Nederlandse realisten, ook
niet in dat museum in Eelde. Daar gaat Henk Helmantel door voor de meester
van het genre. Maar zijn schilderijen zijn kaal en dor. De overwegend
antimodernistische kopers die bij Loek Brons om een Helmantel vragen,
denken dat de kunstenaar in de roemrijke traditie van de zeventiende eeuw
staat. Maar Helmantels schilderijen hebben minder met de Hollandse meesters
te maken van met Piet Mondriaan of met Cesar Domela. Het succes van Ans
Markus, een ander figuratief schilderende kunstenaar, laat de ravage zien
die de afwijzing van het realisme heeft veroorzaakt.Markus is al meer
dan tien jaar razend populair, maar je schrikt van het ambachtelijke onbenul
waarmee zij de kwast hanteert. Waarschijnlijk zijn kopers al dolblij met
de intentie zo realistisch mogelijk te schilderen. Die blijdschap vertroebelt
de kritische zin en verklaart, enigszins, Markus’ populariteit.
Die paar Nederlandse kunstenaars die het realistisch schilderen wél
in de vingers hebben, vragen abominabele bedragen, voor afbeeldingen die
zelden fascineren. In de afgelopen halve eeuw ontstond in Nederland de
situatie waarin kunstenaars ofwel alles uit hun verbeelding peuren, met
interessant werk dat realisme laakt, ofwel aardig schilderen naar de werkelijkheid,
maar zonder enig beroep op de verbeelding, en in een compositie en met
een kleurgebruik die vaak ver onder de maat zijn.
Daarom was ik verrast toen ik voor
het eerst langs de wanden van De Kunstfabriek in Amsterdam liep. Hier
werden niet alleen de mores van de kunstmarkt getart, hier werden ook
schilderijen geëxposeerd van kunstenaars die het realistisch schilderen
daadwerkelijk in de vingers hebben. In tegenstelling tot het werk van
conventionele Nederlandse figuratieven is de iconografie in de Kunstfabriek-schilderijen
hedendaags en bezitten de composities een zekere grafische kwaliteit,
waarschijnlijk omdat de schilderijen met behulp van foto’s en computerprogrammatuur
zijn ontworpen. Anonieme Chinezen creëren in opdracht van twee Hollanders
kunst die louter over kunst gaat. Conceptkunst, zonder enige twijfel,
want behalve geinige, soms mooie, dan weer volstrekt mislukte voorstellingen
betrof het hier schilderijen die uiterst effectief het idee om zeep helpen
dat kunst de expressie is van de diepgevoelde eigen stem, opborrelend
uit de ondoorgrondelijke lagen van het onderbewustzijn. De Kunstfabriek
ontkent de ingesleten gedachten over de autonomie van de individuele kunstenaar
veel drastischer dan welke postmoderne kunstenaar ook. De Kunstfabriek
knipt, plakt en jat niet alleen schaamteloos, ze signeert ook nog eens
met een logo en niet met een naam. Anders dan bij Warhol of Koons gaat
de aandacht, hoe <<banaal>> het werk ook is, niet naar de
vindingrijkheid van de individuele kunstenaar of naar de ontwerper, maar
naar De Kunstfabriek. Tegelijk vervult De Kunstfabriek het verlangen van
kopers naar een uniek exemplaar. Nooit laat zij van een voorstelling twee
schilderijen maken.Met de weinig originele unica vult De Kunstfabriek
het gapende gat in de markt tussen peperdure galeriekunst en spotgoedkope
reproducties.
Fascinerend. Uit onderzoek, verricht door kunstcritica en onderzoeksjournalist
Renée Steenbergen, bleek dat maar liefst veertig procent van de
Kunstfabriek-klanten nooit eerder een schilderij had gekocht, waar of
wie ook. Vormt De Kunstfabriek een opstapje naar andere <<serieuzere>>
kunst, of kopen mensen er alleen zolang ze niet in aanraking zijn geweest
met de Kunstfabriek-vijandige wereld van kunsthandel of galerie? Dat laatste
is geen raar idee. Juist in die kringen werd boos gereageerd. Galeriehouders
beoordelen het werk van De Kunstfabriek niet alleen als wanstaltig, ook
de opzet van de fabriek is volgens hen verfoeilijk. Dat laatste lijkt
me vooral door eigenbelang ingegeven. Chinezen en kopers worden er blij
van. En wie moet er eigenlijk nog meer worden bediend?
Maar er was meer afschuw waar ik tegenaan liep. Hoe achterhaald het idee
van kunst als breker van vastgeroeste ideeën ook is, allengs bleek
dat in het huidige kunstklimaat juist de ogenschijnlijke onschuldige,
soms zelfs truttige schilderijen van De Kunstfabriek gigantische verontwaardiging
opriepen. Meer dan Serrano’s plasseksfoto’s. Juist het bedrijf
De Kunstfabriek doet waarvan de mensheid sinds de Romantiek dacht dat
het eigen is aan kunstenaars; de gevestigde orde tegen de haren in strijken.
Dit is wel een cliché, de gevestigde orde tegen de haren in strijken,
maar het is wel wat De Kunstfabriek doet. Twee mannen met een eenvoudig
idee en enig doorzettingsvermogen blijken de bolwerken van de kunst te
shockeren. En dat is knap, want het lijkt tegenwoordig nauwelijks meer
mogelijk om met kunst te shockeren. Juist omdat de wil ertoe zo groot
is. Die brengt kunstenaars ertoe scènes te schilderen in de gaskamers
van concentratiekamp Birkenau, zoals Ronald Ophuis doet, of om enquêteformulieren
rond te sturen die zich niet als kunstwerk presenteren,maar waarin argeloze
burgers wordt gevraagd of zij bereid zijn hun illegale buurman aan te
geven, zoals Martijn Engelbregt doet. Anderen zoeken het in uitwerpselen,
zoals Wim Delvoye, of in foto’s van het eigen leven, zoals Tracy
Emin. Allemaal kunst met een grote K, want het shockeert. Maar gaskamers,
verraad en poep blijken helemaal niet nodig om het publiek te laten walgen.
Met de minst aanstootgevende kunst, met de bloemen, kevers en bonte koeien
van De Kunstfabriek kun je mensen woedend krijgen. Pas echt beledigend
blijkt het als je niet de grenzen van creativiteit zoekt, als je slechts
de cultus van authenticiteit,van individuele scheppingsdrang en van het
autonomiestreven van de kunstenaar ter discussie stelt. Of beter: de nek
omdraait. Want dan speel je met de religie van deze geseculariseerde tijd.
Na het decennialang ronken van teksten in het modernistische paradigma
heeft "kunst per strekkende meter" een denigrerende klank gekregen.
Anders dan "tweeënhalf uur ballet", of vierhonderd bladzijden
literatuur". Ten onrechte. Doe mij maar een paar meter kunst.
De
Groene Amsterdammer, 27 mei 2005
|