Conceptuele
koeien uit China
door Pieter
van Os
Lagelonenpolitiek
is ook tot de Nederlandse kunstwereld doorgedrongen. Onder de vlag van
de Kunstfabriek schilderen Chinezen en Roemenen Hollandse koeien en bloemenweiden.
Betekent het succes van de Kunstfabriek een terugkeer naar het ambacht,
of wordt de schilderkunst definitief voor schut gezet met de nieuwe terreinwinst
van het logo?
De sportkledingmagnaat
Nike weigerde twee jaar geleden het woord 'sweatshop' op de gympen van
de Amerikaanse student Jonah Peretti te laten stikken. Vreemd, zo schreef
Peretti in een eerste van vele e-mails die hij de multinational zou sturen,
aangezien Nike adverteert met de zin 'het verpersoonlijken van schoenen
is de vrijheid om te kiezen en uit te drukken wie je bent'. Unieke mensen
verdienen immers hyperindividuele schoenen, zo is de gedachte van de kledingfabrikant.
Peretti protesteerde heftig tegen de beslissing van Nike, want het was
nu juist zijn persoonlijke wens om ( met het woord "sweat-shop" op zijn
schoenen) aan 'het geploeter en het werk te herinneren van de kinderen
die mijn schoenen hebben gemaakt'. Hij wilde rondlopen met een persoonlijk
gedenkteken voor de Aziatische, meestal analfabete kinderen, die in donkere,
niet geventileerde hokken onder erbarmelijke omstandigheden vaak meer
dan tien uur per dag zwoegen voor een paar schamele centen. Het wereldberoemde
kledingconcern gaf geen millimeter toe, want de boodschap van individuele
vrijheid en daadkracht ('just do it') is niet gebaat bij de waarheid.
Nike staat niet alleen. Alhoewel volstrekt tegenstrijdig aan hun doel
- iedereen dezelfde kleding aansmeren - voeren vele multinationals de
uniciteit van het individu hoog in het vaandel. De klant koopt het, de
boodschap en de kleren. Op de website van het best verkopende kledingmerk
van de Verenigde Staten, genoemd naar oprichter Tommy Hilfiger, schrijft
de Amerikaanse scholier Peter dat hij blij is met de kleren van Tommy
Hilfiger omdat "ik ermee kan uitdrukken wie ik ben". Peter: "En dat is
iets dat de andere merken niet kunnen. Ik weet dat Tommy Hilfiger nogal
aan de prijs is, maar voor mij is het dat waard vanwege de casual, maar
toch hedendaagse look die Tommy creëert. Ik ben een van die mensen die
het niet leuk vinden trendy te zijn en te dragen wat iedereen draagt.
Sinds ik op high school zit, ben ik eerder een leider dan een volger."
Zoals zo vaak, liep de kunstwereld met dit paradoxaal conformisme ("we're
all individuals!") vooruit op de commercie. Ook in zijn nieuwste, door
de kritiek vooralsnog vrijwel doodgezwegen boek Reputaties. Hoe de kunstenaar
aan zijn goede naam komt (L.J. Veen), betoogt de door museumdirecteuren
en kunstcritici verguisde kunstenaar en publicist Diederik Kraaijpoel
(1928) dat sinds de Tweede Wereldoorlog de kunstwereld in de greep is
geraakt van dit ene, paradoxale ideaal. Samen met een rotsvast geloof
in de autonomie van de kunstenaar wordt de 'uniciteitscultus', zoals Kraaijpoel
het noemt, al decennialang zo massaal in elke kunstgeschiedenis- en academiestudent
gepompt dat juist conformisten ervoor dienen te zorgen 'anders' te zijn,
en daardoor 'vernieuwend'. Kunstenaars zijn hyperindividuen die, zo is
het idee, hun eigen, unieke zielenroerselen uitdrukken in kunst. Daarom
is het leren van technieken onbelangrijk, want een ambacht is inferieur
aan kunstenaarsschap, dat geen lessen duldt, maar slechts expressie. Studenten
wordt niet meer onderwezen, zo meent Kraaijpoel, hoe de werkelijkheid
is te vangen in een beeld of op het doek; ze leren slechts de credo's
van het modernisme na te bauwen, waarin opdrachtgevers (de smakeloze barbaren!)
op de laatste plaats komen.
In Kraaijpoels goede oude tijd was dat wel anders: daarvoor leze men het
proefschrift van de kunsthistoricus Stumpel, waarin fraaie voorbeelden
zijn te vinden van contracten uit de Renaissance waarin werd vastgelegd
hoe de kunstenaar zijn opdrachtgever beloofde te plezieren: met hoeveel
naakte ledematen, architectonische grappen, draperieën, dieren en landschappen.
Kraaijpoel had zijn bewering tot in de negentiende eeuw kunnen doortrekken.
Toen keek niemand er van op dat Mauve, een toonaangevende kunstenaar uit
de Haagse School, schaapjes schilderde op bestelling. Daarbij rekende
hij meer voor 'schapen van voren', dan 'schapen van achteren', omdat het
eerste hem meer moeite en dus méér tijd kostte. Dit soort schilderkunst
is zelfs nooit verdwenen, maar wel ondergronds gedreven -uit het zicht
van curatoren, critici en galeriehouders.
Want net als Tommy Hilfiger al die unieke leiderspersoonlijkheden altijd
opnieuw uitdrukt in dezelfde kleuren rood, wit en blauw, zijn de mogelijkheden
binnen het modernisme beperkt, ondanks haar retoriek waarin originaliteit
maatgevend wordt genoemd. In Reputaties, net als in zijn twee vorige werken
Was Pollock blind? en De nieuwe salon, onderbouwt Kraaijpoel overtuigend,
in een vlotte stijl en een bijkans brallerige toon, dat succesvolle hedendaagse
kunstenaars sinds het werk van Malevitsj, Mondriaan, Matisse en Duchamp
nog slechts variëren op een thema. Vernieuwing, uniciteit en autonomie
zijn verworden tot loze kreten. Daarom lijkt het schijnbaar onmogelijk
om binnen de kunstwereld nog te shockeren of de zaak op te schudden. Pas
schokkend is het, als je de cultus van het eigene zelf ter discussie stelt.
Dat Kraaijpoel raak sloeg, blijkt wel uit de woedende reacties die zijn
eerste publicaties bij de gevestigde kunstkringen van Nederland teweegbrachten.
Die waren verenigd in hun afkeer. De in modernistische kringen normgevende
kunstcritica Anna Tilroe, tevens lid van de raad voor cultuur, noemde
Kraaijpoel ronduit een 'smiecht'. Rudi Fuchs reageerde op Kraaijpoels
geschreven en geschilderde werk met een krachtig 'getverdemme!'
Opvallend is dat noch zij, noch Kraaijpoel, het succes hebben opgemerkt
van een andere tegenbeweging, de zogenaamde 'Kunstfabriek'. De Kunstfabriek
is een onderneming die schilderijen 'produceert'. Er gaan twee uiterst
vlotte, rad pratende heren achter schuil. De ene, Jan Peter van Doorn,
is afkomstig uit de reclamebranche, de andere, Bert-Jan van Egteren, een
voormalig specialist moderne en hedendaagse kunst bij veilinghuis Christie's.
Samen met ontwerpers bewerken ze foto's op de computer, die als ontwerpen
voor de schilderijen fungeren. Dikwijls zijn die gevuld met koeien, een
auto, ganzen, vlinders, bloemenweides of lieveheersbeestjes. Vervolgens
sturen ze zo'n ontwerp naar een kunstenaar in China of Roemenië. Daar
wordt de foto nauwgezet -wijzigingen zijn verboden- met een voor Nederlanders
ongekende vaart in olieverf op doek gebracht. Vervolgens krijgt het schilderij
geen signatuur, maar een merkje, rechtsonder, dat een fabrieksgebouwtje
voorstelt met een rookblazende schoorsteenpijp.
De omzet van deze kunstfirma zouden erop kunnen wijzen dat individuele
scheppingsdrang en het autonomiestreven van de kunstenaar hun langste
tijd hebben gehad. Hoe het ook zij, de modernistische smaakmakers hebben
de kopers van de Kunstfabriek nooit in hun greep gekregen. Medeoprichter
en -directeur Bert Jan van Egteren: "Er zit een volledig doorgedacht idee
achter de Kunstfabriek. Wij zijn een brand name, met een heus logo. Anders
dan Rob Scholte, Jeff Koons of Rubens zetten wij niet onze eigen naam
onder de kunstwerken die grotendeels door anderen zijn vervaardigd. Omdat
Jan Peter en ik zelf zondagschilders zijn, weten we hoe vreselijk moeilijk
het is om op een beetje niveau naar de werkelijkheid te schilderen. Daarom
begrepen we al snel dat we voor de verwezenlijking van onze ontwerpen
naar China en landen van het voormalig Oostblok moesten, waar men het
schilderen nog als ambacht leert. Aanvankelijk hebben we het met Nederlanders
geprobeerd. Maar behalve dat die te duur zijn, te langzaam werken, en
er maar weinig zijn die aan onze kwaliteitseisen kunnen voldoen, willen
Nederlandse kunstenaars niet meewerken aan een dergelijk concept. Ze weigeren
ontwerpen van een ander uit te voeren. Hun autonomie is ze heilig."
Trots verklaart Van Egteren het succes van zijn onderneming: "We ontkennen
de autonomie van de individuele kunstenaar, maar vervullen het verlangen
van de koper naar een uniek exemplaar. Hier koop je geen kopie, maar een
echt schilderij voor maar een paar honderd euro. Ons succes is voor een
groot deel te wijten aan de belachelijke, abominabele prijzen die de reguliere
galeries vragen voor moeilijke, vaak uiterst gemakzuchtige kunst. Ook
voor de realistisch geschilderde kunst, hoe slecht meestal ook, betaal
je gigantische bedragen. Wij dichten het gapende gat in de markt tussen
peperdure galeriekunst en spotgoedkope reproducties. Daarom komen er ook
allerlei soorten mensen op ons af. Die mensen daarnet, die wonen op een
piepklein verdiepinkje in Lelystad. Wij zijn hun enige kans om een echt
schilderij boven de bank te hangen. Maar hier komen ook die mensen…" Van
Egteren wijst naar een paartje van middelbare leeftijd, ogenschijnlijk
echtelieden, keurig in mantelpak en onberispelijk tweedeel. "Zij kunnen
zich veel duurdere kunst veroorloven, maar hier kopen ze in voor hun zomerhuisje
in Spanje -daar moeten ook heel wat muren worden gevuld met onverzekerde
kunst. En dan kun je bij ons terecht. Want hier betaal je niet voor pretentie.
Een deel van de handel verneukt mensen met gebakken lucht, dat is een
hele kunst, maar andere kunst. Wij beknibbelen aanzienlijk door de suggestie
moedwillig te veronachtzamen. Je krijgt hier wat je ziet."
De omzet aan de Amsterdamse Haarlemmerstraat loopt inmiddels tegen het
miljoen per jaar en sinds de oprichting van de Kunstfabriek in 1999 zijn
er meer dan 1700 schilderijen verkocht. En het is waar: de prijzen van
de Kunstfabriek zijn ongekend laag. Een klein schilderijtje van een zwerm
visjes kost 230 euro. Voor een meer dan levensgrote koeienkop betaal je
rond de 3200 euro. Ter vergelijking: een groot stilleven van Henk Helmantel
kost bij galerie Brons 140.000 gulden.
Maar het moet gezegd: Joop Polders thema's en composities zijn op het
eerste gezicht gevarieerder dan die van de Kunstfabriek. Van Egteren:
"Jij vindt dat de werken hier op elkaar lijken, maar wat is daar mis mee?
De Kunstfabriek is toch één merk? Bovendien is het werk zeker niet 'stijlloos'.
Sterker, ik herken werk van de Kunstfabriek. Ook al zitten er vele kunstenaars
achter, het ontwerp bepalen we zelf. Er bestaat iets als typisch Kunstfabriek.
Bovendien zie ik er geen been in om het publiek te behagen, een ogenschijnlijke
doodzonde in hedendaagse kunstkringen. We hebben in onze begintijd onderzoek
gedaan naar de voorkeuren van het publiek. Daaruit bleek dat Nederlanders
nu eenmaal houden van velden vol koeien en bloemen, eigenlijk niet anders
dan in de zeventiende eeuw. Stillevens en interieurs doen het ook altijd
goed. Daarna komen de gekke dingen: opgeblazen blikopeners, patatten,
billen met netkousen, etc. Blote vrouwen op leren banken blijken het veel
minder goed te doen dan je zou denken. Omdat het momenteel uitverkoop
is zie je die nu, net als veel werk met donkere tinten. Alles halve prijs.
Schilderijen met overwegend blauw of grote vlakken rood zijn het populairst.
Die verkopen we altijd."
Van Egteren oogt jong, is 37, en de bezitter van een Mercedes-cabriolet
uit 1968. Ogenschijnlijk huizen er twee zielen in zijn borst: die van
de gewiekste verkoper en die van de bevlogen kunstliefhebber. "Wat natuurlijk
ook heeft meegeholpen aan ons succes is dat er op figuratief gebied in
Nederland ontzettend veel troep wordt gemaakt. Werkelijk, dat is echt
bizar. Ga maar eens op Kunst-Rai kijken. Zo iemand als Patty Harpenaus
bijvoorbeeld, als die zich in China bij ons had gemeld, was ze niet door
de ballotage gekomen. Het is knap van de handel dat ze die weten te verkopen,
maar met kwaliteit heeft het weinig te maken."
Het is inderdaad opvallend hoe vakkundig het werk van de Kunstfabriek
is geschilderd. De verfbehandeling is als van de oude meesters of negentiende-eeuwse
salonschilders, meer dan van Indiase reclameschilders of Amerikaanse Pop-art
kunstenaars. In tegenstelling tot het werk van conventionele Nederlandse
figuratieven, is de iconografie hedendaags en bezitten de composities
een zekere grafische kwaliteit, waarschijnlijk omdat de schilderijen met
hulp van foto's en computerprogrammatuur zijn ontworpen. Niet alleen een
kunstenaar als Patty Harpenau of Ans Markus, maar ook Diederik Kraaijpoel,
die zijn eigen werk 'romantische landschappen' noemt, maar wiens schilderijen
vooral doen denken aan de jaren-tachtig strip "Storm"., was waarschijnlijk
niet door de ballotage gekomen van de Amsterdamse opdrachtgevers. In technisch
opzicht doet zijn werk ver onder bij dat van de Chinezen die voor de Kunstfabriek
schilderen.
Tussen de molens, bloemenweiden en naakte vrouwen op skailederen bankstellen,
hangt een groot, bijna vierkant doek met een uiterst nauwkeurig geschilderde
rietveldstoel, tegen een grijze achtergrond. Het is een vervreemdende,
maar ook prikkelende gedachte dat er iemand ergens in China in een negentiende-eeuwse,
traditionele stijl een unicum heeft geschilderd van dit icoon van modernistisch
design, een stoel die bedoeld was om in grote oplages te laten vervaardigen.
Alles lijkt hiermee te worden omgedraaid. Deze voor de koper anonieme
Chinees heeft in opdracht van twee Hollanders kunst gecreëerd die louter
over kunst gaat. Conceptkunst, zonder enige twijfel.
In interviews hield Van Egteren zich in het verleden van de domme, waarschijnlijk
om zich in te dekken tegen al te harde kritiek en vilein dedain. Tegen
het blad 'Huis en Interieur' zei hij: "Kunst is vaak niet meer dan een
versiering van je huis. Het maakt je woning mooier, heel simpel. Schilderijen
zijn sfeerbepalers." En in het wekelijkse programma van Hanneke Groenteman
verklaarde hij desgevraagd dat het bij de werken van zijn onderneming
'niet gaat om kunst voor het museum'. Daarna deed de gastvrouw met onverbloemd
misprijzen en met steun van de overige studiogasten de Kunstfabriek glimlachend
af als 'een grap van handige jongens'.
Maar eigenlijk denkt Van Egteren er anders over. Wanneer je je er voor
openstelt wil hij, na enig aandringen, er best over vertellen: "Wij gaan
nog een stap verder, waar kunstenaars in het verleden ophielden. Bovendien
zijn lang niet al onze produkten fabrikaten van hersenloze preferenties.
Neem bijvoorbeeld dat schilderij, een uitvergroot fotonegatief van een
wereldberoemd schilderij van Gainsborough in olieverf. Ik noem het: Een
spook uit het verleden. Dat is een reuze interessant werk."
Bij Christie's was Van Egteren specialist moderne en hedendaagse kunst.
Nog altijd koopt hij contemporaine kunst. Hij heeft een vaasbeeld in de
vorm van een op zijn rug liggende hond van Guido Geelen, een van de beste
kunstenaars van Nederland. Zijn werk was onlangs nog bijeen gebracht in
een overzichtstentoonstelling in het Stedelijk. ("Mijn hond was daar niet;
aan zo'n Fuchs leen ik natuurlijk niets uit.") Ook hangt er in Van Egteren's
huis in Amsterdam Zuid een gigantisch polyvinyl kostuum van Wan Jing dat
verwijst naar de Peking opera. "Vierentwintig vrouwen hebben daar drie
maanden lang aan gewerkt. In alle kunst die ik koop, ook in de ontoegankelijker
werken, is ambachtelijkheid heel belangrijk."
Van Egteren: "Maar de Kunstfabriek gaat natuurlijk niet alleen om ambachtelijkheid.
Het gaat ook om die bedrijfsnaam. Collectieven zijn in de kunst niets
nieuws. De zonen en medewerkers van Breughel hebben tot ver na zijn dood
Breughels gemaakt, waarvan je de resultaten momenteel op een tentoonstelling
in het Bonnefanten kunt zien. En wat dacht je van Atelier Van Lieshout?
Ook de medewerkers van Rob Scholte leven bij de naam van de kunstenaar.
Dat levert nog al eens frustraties op. Die man krijgt natuurlijk alle
credits. Voordat we met de Kunstfabriek begonnen, sprak ik eens met een
van die Scholte-medewerkers. Dat wil ik dus niet, besloot ik toen. Daarom
heb ik er ook nooit over gedacht om onze eigen namen onder het werk te
zetten. Het is veel eerlijker om een door vele handen vervaardigd product,
al is het een artistiek product, een bedrijfsnaam te geven. Daarmee worden
noch de makers noch de kopers bedot. En naar mijn weten is dat volstrekt
nieuw in de geschiedenis van de schilderkunst."
Volgens Diederik Kraaijpoel verdienen hedendaagse kopers niet beter dan
te worden belazerd. "Omdat onze appreciatie van beeldende kunst hopeloos
vervalst is, omdat er naar namen gekeken wordt, in plaats van naar kwaliteit,
verdienen de onnozele kopers niet beter dan dat ze bedrogen worden", schrijft
hij in Reputaties. Misschien dat Kraaijpoel er daarom als publicist de
rug keert aan kopers en kunstenaars. Hij heeft zijn verhaal verteld. In
zijn inleiding tot Reputaties belooft hij de lezer: "Nog één boek, dan
bent u van mij af."
Van Egteren gaat door, al ontmoet hij net als Kraaijpoel, vaak ongekend
felle reacties.
Van Egteren: "Natuurlijk loop ik tegen veel scepsis en dedain aan. Het
idee van kunst als de expressie van de diepgevoelde, eigen stem, opborrelend
uit de diepste lagen van het onderbewustzijn, is wijdverbreid. Werkelijk,
je vloekt in de kerk van de heilige kunst wanneer je werk maakt dat tegen
dat idee indruist. Mensen vinden de kunstfabriek walgelijk, vooral in
de officiële culturele sector, mensen om de kunst heen, als museumdirecteuren,
galeriehouders en critici. Zij voelen zich bedreigd door ons succes. Kunstenaars
daarentegen, en dat is opvallend, vinden het vaak een leuk idee."
Desondanks blijft Van Egteren tegenover zijn klanten zijn werkelijke pretenties
verhullen. Op de website lees je nog altijd onbetekenende teksten als:
" Onze schilderijen zijn voor thuis. En, ach kijk, dat is toevallig. Boven
de bank is nog een lege plek". Terwijl enige openlijke uitspraken op artistieke
en kunsthistorische importantie verfrissend zouden kunnen zijn. Met meer
pretenties kan de Kunstfabriek de door Kraaijpoel gehekelde "uniciteitscultus"
op z'n kop zetten.
Maar waarschijnlijk vindt Van Egteren zijn klandizie en omzet toch belangrijker.
Want zonder cultuurhistorische praatjes verkoop je altijd beter bij een
publiek dat alleen "de lege plek boven de dank" wil vullen. Net als met
de kleuren van een schilderij: verkopen kent zijn prijs.
De
Groene Amsterdammer, 2 februari 2002
|